De
laatste reis
Fragment uit het boek:
Het was donker in de trein. De lucht smaakte gebruikt. Hannah
kon moeilijk ademen. Het was warm en er was weinig plek. Haar arm drukte tegen
moeder. Haar rug leunde tegen een man die ze niet kende. Haar opgetrokken benen
zaten tussen twee andere vrouwen geklemd. De houten vloer was hard. En het
denderen van de wielen over de sporen deed haar hele lichaam trillen. Er waren
geen zitbanken in de trein. Geen ramen. Geen deur. Alleen een grote poort, die
soldaten hard hadden dichtgerold.
Hannah had gehoord hoe ze de wagon aan de buitenkant met
ijzeren beugels hadden gesloten. Niets kon erin. Niets kon eruit. Geen mensen,
geen lucht, geen licht. Toen ze vertrokken, was het buiten nog licht geweest. Ze
had kleine straaltjes door de kieren naar binnen zien schijnen. Maar ook die
straaltjes waren verdwenen. Het enige wat overbleef, was een dikke duisternis
vol ademende mensen.
Hannah had geen idee hoe lang ze al onderweg waren. Of
waarheen ze onderweg waren. Haar voeten tintelden en ze had geen gevoel meer in
haar benen. Soms moest iemand naar het toilet. Dan bewoog het kluwen
van mensen. Er werd geduwd en getrokken, mensen morden of kreunden als er op hen werd gestapt. De beweging volgde
de persoon die was opgestaan als een moeizame golf. Maar er was geen toilet in
de trein. Ze hadden een hoekje van de wagon vrij gelaten. Daar moest iedereen
zijn behoefte doen, zomaar op de grond. De stank verspreidde zich door de hele
wagon. Hannah moest ook plassen, maar ze durfde niet.
Ze probeerde niet op de stank te letten, maar te luisteren naar de oude man
achter haar. Hij vertelde verhalen aan de twee jongetjes die naast hem zaten.
Verhalen over Chanoeka, het Joods
lichtfeest. Over lekker eten en kaarsen.
Aan het begin van de reis was de wagon vol geweest met
vragen. Met vrouwen die jammerden en mannen die vloekten. Met kinderen die
huilden en mensen die hardop baden. Maar nu was iedereen stil geworden. De
vragen kregen geen antwoorden en de kinderen konden niet getroost worden. Alleen
de stem van de oude man was te horen. Iedereen luisterde naar zijn zachte
woorden en zijn lichte verhalen. Maar de vragen in Hannahs hoofd waren niet
weggegaan. Ze wilde ze niet horen, maar het was als een stem in haar hoofd.
Telkens opnieuw. Waar gingen ze heen? Waarom? Hoe lang zou deze reis nog duren?
Waar gingen ze heen? Waarom? Hoe lang zou deze reis nog duren?
De
vragen maakten haar moe. En ook het dreunen van de wielen over de sporen maakte
haar slaperig. Ze wilde zich uitstrekken en de mantel van haar moeder als een
deken om zich heen slaan. Maar ze kon zich niet verroeren en het was te warm
voor de mantel. Hannah sloot haar ogen en probeerde aan niets meer te denken,
behalve aan lekker eten en kaarsen.
|