Duivelsvlucht

Fragment uit het boek:

De mist waarde laag tussen de kale bomen. Het was alsof de paarden zweefden. Hun voorbenen waren in de nevelslierten verdwenen en de afgevallen bladeren dempten hun hoefgetrappel. Twee spookrijders in een donker bos. De nachten werden steeds frisser.

Bij de open plek hielden ze halt. Jan stond klaar. Hij droeg de donkere kleren die Hasse hem eergisteren gebracht had. Zonder hen te begroeten en zonder een woord te zeggen steeg hij op Ithaka’s rug, achter Hasse. Hij haalde een doek tevoorschijn en bond die voor haar ogen. De doordringende geur van een houtvuur prikkelde haar neus. ‘Geen paniek, dat is traditie,’ fluisterde hij in haar oor. Jan nam de teugels over en duwde zijn hielen in Ithaka’s flanken. Het paard brieste zacht en kwam in beweging. Hasse nam alle geluiden in zich op. De roep van een uil, het gedempte stappen van de paarden, Jans ademhaling. Stille geluiden die de nachtstilte doorbraken. Door Jans armen rond haar middel en zijn benen tegen de hare voelde ze zich veilig. Haar gedachten dwaalden af naar wat haar te wachten stond. Ze wist niets. Diedrich had met geen woord over vanavond gerept. Hij was eergisteren van zijn gesprek met de Generaal teruggekomen. Op de vraag die in Hasses ogen lag, had hij geknikt. Ze wilde zoveel vragen, maar ze had het niet gedaan. Ergens had ze gevoeld dat haar broer niets zou lossen. Hasse had het gevoel gehad dat hij niet blij was met de beslissing van de Vinck. Hij was zwijgend weer aan het werk gegaan.

Uit de roddels en de verhalen die fluisterend van mond tot mond glipten, had ze opgevangen dat Bokkenrijders verbonden waren met een eed en dat de Duivel persoonlijk aanwezig was bij het afleggen hiervan. Ze zweerden hem trouw tot in de dood, werden ingewijd in de geheimen van de bende, leerden de spreuk om een bok aan te sporen en daarna mocht het nieuwe bendelid voor de eerste keer een bok berijden. Hasse wist niet waar de waarheid ophield en het bijgeloof begon. Wel had ze gemerkt dat de Bokkenrijders niet de bovenaardse verderfelijke zielen waren die ze in de verhalen van de mensen moesten voorstellen. Ze konden niet toveren of mensen vervloeken of op bokken rijden. Maar wat deden ze wel?

Ithaka hield halt. Hasse bleef roerloos zitten, gespannen afwachtend wat er ging gebeuren. Jan zei niets. Als ze zijn armen niet had gevoeld, had ze gedacht dat hij er niet meer was. Het bleef een hele tijd stil. Hasse durfde niets te vragen. Ze luisterde, maar hoorde niets. Na wat een eeuwigheid leek te duren, bewogen Jans armen plotseling. Traag knoopte hij de blinddoek los. De doek gleed weg en Hasse opende haar ogen. Langzaam aan werd haar troebele blik weer helder. Ze stonden voor een kapel. Naast haar stonden als een gesloten muur twee rijen mannen. Ze waren gekleed in donkere gewaden en hielden fakkels in hun hand.

Weer naar het boek