De gebroken harp

Fragment uit het boek:

Maandag 13 december 1915

‘Verdomme, sta toch eens stil!’ Ik gaf Nelly een tik tegen haar bips. Maar ze lette niet eens op mij en spetterde nog meer water uit de teil. Ik had de wastobbe tot voor het haardvuur gesleept en volgegoten met warm water. Nu leek het wel of het dak van ons huis was gewaaid en een felle regenbui de hele woonkamer had doorweekt. Ik zat op mijn knieën voor de drie meisjes en mijn broek was doornat.
‘Waar ga je heen, zieke, oude Paddy? Waar ga je heen? Waar ga je heen? Zieke, oude Paddy, waar ga je heen?’
Nelly sloeg ritmisch in het water, terwijl Lizzy het liedje zong. Het was hun favoriete liedje, omdat Paddy’s naam erin voorkwam. Paddy was de bakker voor wie ik ’s morgens werkte. Ik pakte Nelly’s handjes vast, spoelde haar af en porde met mijn elleboog Lizzy in de zij, zodat ze zou ophouden met zingen.
‘Brian, ik heb koud.’ Maggie keek me met een trillend onder-lipje aan. Ik had haar twee minuten geleden uit de tobbe gehaald en in de handdoek gewikkeld.
‘Ga dan wat dichter bij het vuur staan. En Nelly, hou nu op!’
Haar ingezeepte handje was uit mijn handen geglibberd en het water spatte weer over me heen. Nu luisterde ze, maar ze begon wel uit volle borst met haar zusje mee te zingen.
‘Naar de kerk, naar de markt? Nee, naar mijn liefje toe. Naar mijn lieve liefje toe!’ Hun hoge kinderstemmetjes klonken afschuwelijk vals. Ik stond op, tilde Nelly uit het water en wikkelde haar bij haar zus in de handdoek.
‘Droog maar bij het vuur.’
Lizzy was nu ook stil. Ik zeepte haar in en gaf haar het stuk zeep, terwijl ik haar afspoelde. De zeep glipte uit haar handje en schoof als een vis op zijn buik de woonkamer door. Ze sprong er wild achteraan. Ik zuchtte, maar liet haar begaan. Toen ze de zeepvis gevangen had, klom ze weer in de tobbe. Ik nam de beker en spoelde haar nog een keer af.
De drie meisjes stonden samen in de grote handdoek voor het vuur te drogen, terwijl ik hun nachthemdjes ging halen in de andere kamer.
Na alle vrolijkheid van daarnet waren ze opeens rustig. Ik trok hun de witte hemden aan – alle drie nog van mij geweest en dus veel te groot voor hen – en ging met hen naar de kamer. We sliepen er alle vier in een tweepersoonsbed. Het was maar een kleine slaapkamer, met alleen het bed en een grote scheepskist.
Het bed stond met een kant tegen de muur en ik sliep aan de andere kant, zodat ze er niet uit konden vallen. Thomas, de baby, sliep meestal bij moeder in de woonkamer.
‘Brian … een verhaaltje,’ pruilde Maggie. Ze keek me met haar grote ogen smekend aan. Daarmee kon ze me altijd overhalen, en dat wist ze.
Ik stopte hen onder, deed de deur dicht, sloot daarmee het schijnsel van het vuur buiten, en ging op de rand van het bed zitten.
‘Lang geleden leefde er in de heuvels buiten de stad een grote trol. Zijn naam was Vordok en hij had een hol diep onder de grond. ’s Winters, als het hard waaide, kon je zijn gefluister horen in de bomen.’
De verhalen die vader me jarenlang verteld had, reproduceerde ik nu voor hen. De dingen die ik niet meer precies wist, fantaseerde ik er zelf bij. Ik was verzot geweest op de verhalen van mijn vader en had nooit beseft hoeveel kopzorgen ik hem bezorgde door er elke avond om eentje te bedelen. Het was gewoon verschrikkelijk om avond na avond iets nieuws te verzinnen. Mijn publiek was heel kritisch. Als ze vonden dat mijn verhaal te veel leek op dat van de avond tevoren, moest ik meteen opnieuw beginnen. Lang hoefden de verhaaltjes niet te duren. Drie minuten vonden ze genoeg. Gelukkig maar, want het viel me na twee minuten al moeilijk om nog iets zinnigs te bedenken.
Ik gaf hun alle drie een kus en liep weer naar de woonkamer. Moeder zat, zoals altijd, rechtop in bed. Ze leunde achterover in de kussens, met de kleine Thomas op haar schoot. Ze opende haar ogen toen ik binnenkwam. Na vaders … na de verhuizing was ze ziek geworden. De dokter wist niet wat er precies scheelde. Ze at nauwelijks en werd almaar zwakker. Toen ze er nog een longontsteking bij had gekregen, had de dokter haar verplicht te eten, maar nog werd ze niet beter. Haar ogen stonden dof, haar wangen waren ingevallen. Ook de hoest en de pijn in haar borst gingen niet weg. Soms waren er betere dagen en kon ze even naar buiten, maar meestal bleef ze gewoon binnen, in haar bed of op de sofa. Ze leek twintig jaar ouder dan de vijfendertig die ze was.
‘Slapen ze?’ Haar stem klonk vermoeid.
Ik knikte, liet me op de oude sofa vallen met mijn benen voor me uit, en sloot mijn ogen.
‘Ik ruim de boel dadelijk wel op,’ zei ik verontschuldigend.
‘Je moet ermee ophouden, Brian. Je gaat eraan kapot.’
Ik schudde vastberaden het hoofd. ‘Het moet. We hebben het nodig, moeder. En het valt wel mee.’
Ik voelde, met mijn ogen nog altijd dicht, dat ze me aankeek en het hoofd schudde. Ze had het me al zo vaak gezegd en ik had dit al zo vaak geantwoord.
‘Het gaat echt wel, heus.’ Ik stond op en raapte de handdoek van de grond die de meisjes voor het vuur hadden laten liggen. Ik viste de zeep uit het badwater en trok mijn hemd uit. Met een snelle beweging dompelde ik mijn hoofd in het water.
‘Maggie heeft trouwens schoolspullen nodig,’ zei ik, terwijl ik met druipend hoofd weer bovenkwam. ‘En onze matras …’ Met mijn rug naar haar toe zeepte ik me in. Ze zei niets meer. Ik wist dat ze woedend was op zichzelf omdat ze me niet kon helpen. Omdat ze zelf geen geld kon verdienen.
‘Het is niet uw schuld, moeder.’
‘Ik kan verstelwerk doen. Dan hoef jij niet meer bij Paddy te gaan werken.’
De handdoek was te nat om me goed af te kunnen drogen. Ik ging in kleermakerszit voor het haardvuur zitten.
‘Is Nora vandaag nog geweest?’ vroeg ik, om van onderwerp te veranderen. Nora was een vriendin van moeder, en een welkome hulp. ‘Nee.’ We gleden weg in een stilzwijgen. Ik volgde met mijn vinger de versleten draden van het tapijt dat de vorige bewoners hier hadden achtergelaten, en luisterde naar de stemmen van onze onderburen.
‘Ik ga ook slapen. Morgen is het weer vroeg dag.’
Ik liep naar het bed en gaf haar een zoen.
‘Zal ik Thomas meenemen?’
‘Hij slaapt al, laat hem maar hier. Slaapwel.’ Ze tekende met haar duim een kruisje op mijn voorhoofd.
Vroeger deed vader dat, nu zij.

Weer naar het boek