Het meisje en de soldaat

Het meisje

De zon schijnt. De warmte van haar stralen wordt nog versterkt door het vensterglas. Het meisje zit aan tafel. Ze draait haar hoofd, laat de warmte in haar gezicht trekken en glimlacht. Het wordt weer lente. Ze houdt van de geur van de lente. De soldaten in het dorp zullen weer vriendelijker worden, net als vorige lente. Misschien worden ze wel zo vriendelijk dat ze de oorlog beëindigen. Dan komt haar papa terug. Het meisje luistert naar de geluiden in het huis. Het lawaai van de gasten klinkt als één luid kluwen, maar ze ontrafelt de klanken een voor een. Het kabbelende geroezemoes. Gelach en geroep dat er bovenuit stijgt. Het schrapen van stoelpoten. Het tegen elkaar tinkelen van glazen en het rammelen van bestek op borden. Het is zwaar werk voor mama. Nu papa er niet is, moet zij in haar eentje de herberg draaiende houden. De soldaten kunnen erg onbeleefd zijn. Gelukkig helpt tantemie haar. Van tantemie zijn de soldaten wel bang. Ze kan luid roepen en als ze nee zegt, is het nee. Dan kruist ze haar armen voor haar borst en durft niemand haar nog tegen te spreken.

 Het meisje schuift haar stoel naar achter en staat op. Ze wil niet binnen blijven met dit mooie weer. Door de keukendeur loopt ze naar buiten. Zelfs het hout van de deur is al opgewarmd door de lentezon. De weg voor de herberg is een zandweg die de velden in loopt. Hun huis is het laatste huis van het dorp. Een vreemde plek voor een herberg, zeiden de mensen vroeger, maar grootvader luisterde niet naar hen en nu, veertig jaar later, is het de drukste herberg van het dorp. Het meisje steekt de weg over. Met vaste pas loopt ze naar het houten bankje dat recht tegenover de herberg staat. Het is haar bankje. Hier kan ze uren zitten. Ze luistert naar de geluiden uit de velden en naar die uit de herberg. Je komt heel wat te weten als je luistert naar de geluiden uit een herberg. Als de mensen gedronken hebben, vertellen ze dingen die ze anders nooit zouden zeggen. En niemand let op een meisje op een bank aan de overkant van de weg.

(c) Ann de Bode

Zeventien stappen. Het meisje strekt haar handen en inderdaad, daar is het bankje. Ze gaat helemaal tegen de leuning zitten. En dan merkt ze het.

Er zit nog iemand op het bankje. Een soldaat. Hij ruikt naar zweet en modder en bloed. Zoals alle soldaten. Maar daaronder, heel diep, noch amper merkbaar, ruikt ze een andere geur. Een geur die ze niet kent. Ze snuift diep. Een warme geur zoals van gebrande noten. Maar noten die ze nog nooit geroken heeft.

Hij zegt niets. En zij zegt ook niets. Ze draait haar gezicht naar de zon en voelt dat de soldaat naast haar hetzelfde doet.

Weer naar het boek