De Hond van Roosevelt

Fragment uit het boek:

Ik schrok bijna nog harder dan de vrouw, toen we plots haar huis binnen stampten. Ik bleef staan en keek haar aan. Ze keek met grote angstogen terug. Dezelfde ogen als de kleuter op haar arm. Ik wilde haar geruststellen, haar vertellen dat de oorlog bijna gedaan was. Maar wij brachten de oorlog in haar huis. Werner en Heinrich voelden het versteende ogenblik niet en zeulden het machinegeweer naar de bovenverdieping. Ze maakten de trappen vuil met hun modderlaarzen. Ik stak mijn hand uit om het kind over zijn wang te strijken. Mijn handen waren smerig. Halverwege de beweging hield ik op. Ik probeerde te glimlachen naar de moeder. Het lukte niet, dus ging ik zonder iets te zeggen Werner en Heinrich achterna. Ze hadden de kamer gevonden waarvoor we dit huis hadden uitgekozen. Het was een slaapkamer met een dubbel bed. De vader van het kind was waarschijnlijk opgeroepen; misschien zelfs al dood.
De kamer had een balkon waardoor je de hele straat kon overzien. Zo’n balkonnetje waarop je in de zomer kon lezen. En bloemen kon zetten. Ik hield van de zomer. Van liggen in het gras en staren naar de wolken. Van wandelingen en het kwaken van kikkers in de vijver. Maar nu was het balkonnetje niet meer dan de perfecte positie om binnenrukkende Amerikaanse troepen te overvallen. Ik keek naar de huizen aan de overkant van de straat maar zag nergens beweging. Toch wist ik dat de andere soldaten van onze compagnie zich op dezelfde wijze aan het installeren waren. Als de Amerikaanse troepen het dorp wilden innemen, zouden ze langs deze straat komen. En wij moesten hen een warm welkom geven. Ik had maar enkele ogenblikken nodig om de situatie te overzien. Werner stalde de kogelbanden van het machinegeweer uit. Heinrich sloeg met de kolf van zijn geweer het vensterglas uit de balkondeurtjes. Een openstaand raam was immers veel verdachter dan een gebroken. Ik probeerde niet aan de vrouw beneden te denken terwijl ik de kleren uit de kast op de grond gooide tot ik tot aan mijn enkels in de hemden, broeken, slipjes en bh’s stond.
Heinrich sloeg de achterkant uit de kast. Als hij maar kon vernielen. Ik mocht hem niet. Hij deed zich altijd te stoer voor en hij was ontzettend opvliegend. Ik had een hekel aan agressief haantjesgedrag, maar hij was een vriend van Werner en Werner was al mijn vriend nog voordat we ons moesten aanmelden voor dienstplicht. We hadden samen op school gezeten. Hij maakte me niet uit voor yankee, zoals de andere leerlingen. Hier in het leger had ik mijn Amerikaanse jeugd zo veel mogelijk verborgen gehouden. Voor de andere soldaten en voor mezelf. Maar het was niet makkelijk om mijn geboorteland uit mijn hoofd te verdrijven als ik met Amerikaanse soldaten geconfronteerd werd.
Toen Heinrich de achterkant uit de kast geslagen had, sleepten we ze met twee tot voor het raam. Daarnaast kwam een gekantelde tafel waarachter Werner het machinegeweer installeerde. Met de deuren van de kast konden we het zicht verbreden tot de gehele straat, of beperken zolang ze ons niet mochten zien.
We werkten in stilte. Het was niet de eerste keer dat we ons klaarmaakten voor een nieuwe aanval. We wisten wat we moesten doen. En na twee jaar oorlog waren we uitverteld. Ik keek uit het raam. Aan de linkerkant kwam de straat uit op een pleintje waar een gedenkteken voor de slachtoffers van de eerste wereldoorlog stond. Rechts vertakte de straat zich in twee delen die het dorp uitleidden. Daarlangs zouden de Amerikaanse troepen komen. Wij zouden de linkervertakking perfect onder schot hebben. In de huizen aan de overkant zaten de anderen. Die hielden zich bezig met de rechtse straat. Alle huizen van deze hoofdstraat waren bastions geworden. Eens de Amerikanen voorbij getrokken waren, zou onze hoofdmacht op het pleintje tot het gevecht overgaan. Wij moesten hen in de rug bestoken en ervoor zorgen dat ze niet konden vluchten. Eenvoudig plan. Maar wanneer kwamen de Amerikanen? Had onze commandant dat ook kunnen ontfutselen aan de krijgsgevangenen?
Ik luisterde, maar het dorp was stil.

Weer naar het boek